Actueel

Maar minister, wat bedoelt u nou echt?


Op 5 april presenteerde minister Rosenthal zijn mensenrechtennotitie. De minister wil effectiever beleid door selectiever te werk te gaan. Het blijft echter onduidelijk hoe de minister tot dit selectiever beleid is gekomen en hoe hij de effectiviteit ervan gaat meten.


Ondanks het feit dat Rosenthal en zijn partij, de VVD, mensenrechten onderschrijven als universele waarden, zal in het buitenlands beleid het economische belang de boventoon voeren. Dat is eerlijk en realistisch, maar ook wat angstig en weinig ambitieus. Op de langere termijn schaadt het bovendien de internationale positie en de goede naam van Nederland.

 

Bondgenoten

De invloed en het respect dat Nederland internationaal heeft, hangt ook  af van haar imago als voorvechter van mensenrechten en rechtsstaat. Met een puur economisch gedreven internationaal beleid ondermijnt Nederland deze internationale positie. In een wereld waarin de opkomende economieën een steeds grotere plaats opeisen, is economie niet genoeg om een internationaal profiel te behouden.
Waar minister Verhagen nog duidelijk aangaf dat ook bondgenoten moesten worden aangesproken op mensenrechtenschendingen, ontbreekt dit in de notitie van minister Rosenthal. Gezien de economische prioriteiten die deze minister stelt, is het zeer de vraag of hij hiertoe bereid is. Een goede handelspartner stoot je liever niet voor het hoofd. Deze houding, die economie vóór mensenrechten plaatst, doet af aan de geloofwaardigheid van Nederland als voorvechter van de mensenrechten en ondermijnt de slagkracht van Nederland op dit terrein in het buitenland. Wat is bijvoorbeeld het Nederlandse standpunt aangaande de doodstraf in de Verenigde Staten en kinderarbeid in India?

 

Europa
De minister kiest graag voor het kader van de EU om mensenrechten internationaal te verbeteren. Europa werd in de verkiezingstijd door de huidige regeringspartijen nog neergezet als de grote boeman, die het eigenwijze en onafhankelijke Nederlandse volk alleen maar in de weg zat. Maar nu mag datzelfde Europa de hete kastanjes uit het vuur halen op het terrein van de mensenrechten. We betalen ervoor, dus dan moeten we er ook maar gebruik van maken, zal de minister gedacht hebben.
De EU is echter nog lang geen effectieve speler op het terrein van de internationale bescherming van de mensenrechten. Ten eerste zal het nog minstens vijf jaar duren voordat de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) operationeel zal zijn en is er ook nog geen Europese mensenrechtenstrategie opgesteld. Daarnaast is er binnen Europa ook nog lang niet bekend welke taakverdeling er komt en of alle belangrijke mensenrechtenthema’s wel onderdak vinden bij de EU-lidstaten. Ten derde is het niet duidelijk welke mensenrechtenstandaard de EDEO zal gaan hanteren, die van Roemenië, Malta of Zweden. Voordat al deze onduidelijkheden zijn opgeklaard, lijkt het niet vanzelfsprekend dat er meer verantwoordelijkheden worden afgeschoven op Europa.

 

Mensenrechten in Nederland
De minister heeft in de notitie en onlangs in de Eerste Kamer ook aangegeven dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ruimte moet laten voor een margin of appreciation en zich moet bezighouden met haar kerntaken. Deze margin of appreciation moet recht doen aan de verschillende culturele verschillen die in de landen die onder het Hof vallen.

Hierbij ontstaat het idee dat de Minister vindt dat het EHRM zich niet te veel in de interne aangelegenheden van Nederland moet mengen. Dit is niet bepaald een stelling die je van een democratisch en vrij land zou verwachten. Enerzijds ondermijnt dit het zeer breed erkende gezag van het Europese Hof en doet het afbreuk aan haar onafhankelijke status. Anderzijds doet deze houding het vermoeden rijzen dat Nederland nogal wat van plan is dat het daglicht van de internationale mensenrechtenafspraken niet kan verdragen. Het is eerder een houding die je van een dictatuur verwacht.

Niet voor niets staat deze stellingname van de minister dicht aan bij een resolutie over het belang van traditional values, die Rusland inbracht bij de VN, gesteund door onder andere China. Deze resolutie beoogt niets anders dan dat deze landen ruimte krijgen voor het begaan van mensenrechtenschendingen onder de dekmantel van traditionele gebruiken.

 

Vreemdelingenbewaring

Het meest in het oog springen natuurlijk de maatregelen die dit kabinet wil nemen op het terrein van asiel en migratie. Daar zit het Europese Hof Nederland inderdaad in de weg, en terecht. Zeer regelmatig krijgt Nederland van internationale verdragscommissies en van het Hof te horen dat er zaken niet deugen in ons vreemdelingenbeleid. Ouders mogen niet van kinderen worden gescheiden, gezinnen met kinderen mogen niet zonder zorg en zonder rechten op straat worden gezet, mensen mogen alleen in strikte uitzonderingsgevallen in vreemdelingenbewaring worden geplaatst, en meer.

Dat het Europese Hof de Nederlandse regering door middel van gerechtelijke uitspraken van dit soort zaken moet overtuigen is eigenlijk al schokkend genoeg. Waar is het gevoel voor menselijke verhoudingen, menselijke waardigheid en mensenrechten bij de Nederlandse politiek gebleven? In plaats van het beleid aan te passen aan de internationale standaarden, wil de Nederlandse regering nu liever dat vervelende Hof aan banden leggen. Dit is een arrogante en in zichzelf gekeerde houding die Nederland op geen enkel terrein – ook niet economisch – aanzien en voorspoed verleent.

Het Europese hof waakt ervoor dat landen zich houden aan de internationale afspraken en zo hoort het ook. Bijvoorbeeld in het geval van de Somalische piraten die door de Nederlandse marine zijn opgepakt. Deze piraten kan Nederland als ondertekenaar van Europese Verdrag van de Rechten van de Mens namelijk niet in een land laten berechten waar zij gemarteld kunnen worden. Daarom worden ze nu in Nederland berecht.

 

Mensenrechtenfonds
Steun aan mensenrechtenverdedigers wereldwijd is nog steeds een bittere noodzaak. Economische belangen, die Nederland door haar buitenlands beleid uiteraard verdedigt, moeten niet concurreren met het bevorderen van mensenrechten, maar ermee op gelijke voet staan.

Een daadkrachtig mensenrechtenbeleid moet daarom hand in hand gaan met het ondersteunen van mensenrechtenverdedigers in het buitenland. De minister erkent dit ook en besteedt ruim aandacht aan deze thematiek. Hij geeft echter aan dat na 2011 het mensenrechtenfonds en de uitreiking van de Mensenrechtentulp worden geëvalueerd. Hier rijst opnieuw de vraag hoe belangrijk hij het mensenrechtenbeleid van de Nederlandse overheid vindt.

 

Minderheden
De minister blijkt een sterk voorvechter van de rechten van christelijke minderheden. Zeker belangrijk, maar hiermee gaat hij voorbij aan de noden van andere religieuze minderheden. Zo wordt de blasfemiewetgeving in Pakistan niet alleen misbruikt om christenen te vervolgen, ook eenvoudige moslims worden hiervan het slachtoffer. Een exclusieve focus op christenen ondermijnt het internationale respect voor Nederland als voorvechter van mensenrechten, omdat dan de impliciete boodschap wordt afgegeven dat andere onderdrukte (religieuze) minderheden van minder belang zijn.

 

Alles overziend roept de notitie van minister Rosenthal meer vragen op dan dat ze antwoorden biedt. Tevens wekt hij minstens de indruk dat mensenrechten niet meer voor iedereen, altijd en overal gelden. En dat sommige mensenrechten misschien belangrijker zijn dan anderen. Dit geldt zeker daar waar mensenrechtenkwesties het Nederlandse beleid in de weg zitten. Maar hij zal het wel niet zo bedoeld hebben. Laten we ervan uitgaan dat de minister tijdens het Algemeen Overleg Mensenrechten op 14 juni in ieder geval in staat zal zijn een deel van het rookgordijn te laten optrekken.

 

Victor Scheffers, directeur